GrammaticaOver schrijven

Wat, dat, welke, die? Hoe zit het nou met het betrekkelijk voornaamwoord?

Noem me een nerd of een mafkees, maar ik houd van spelling en grammatica. Op de middelbare school, toen ik Grieks en Latijn leerde, vond ik het al leuk om uit te zoeken hoe een zin precies in elkaar zat en welke constructies er gebruikt werden. Dat vind ik nog steeds leuk, dus er zal vast wel eens vaker een bericht als dit op mijn blog voorbij komen. Vandaag schrijf ik iets over het betrekkelijk voornaamwoord. Mensen hebben daar namelijk nogal eens moeite mee.

Betrekkelijk voornaamwoord

Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt een bijzin met een hoofdzin. Het staat aan het begin van de bijzin en verwijst naar iets uit de hoofdzin. Dat ding in de hoofdzin noemen we ook wel het antecedent.

Klinkt dit een beetje te technisch? Ik zal eens een voorbeeld geven. Het antecedent is steeds onderstreept en het betrekkelijk voornaamwoord is steeds dik gedrukt:

Het toneelstuk dat ik gister zag, was erg mooi.

Dat is het betrekkelijk voornaamwoord en het verwijst naar het toneelstukHet toneelstuk is dus het antecedent. Wat ook vaak gebeurt, is dat mensen zeggen:

Het toneelstuk wat ik gister zag, was erg mooi.

Dit laatste klopt niet, en het ziet er eigenlijk ook niet zo mooi uit vind ik. Het gebruiken van wat in dit soort constructies is dus meestal niet goed.

Maar soms ook wel! Ik zal je laten zien wanneer het wel mag.

1. Complete zin

Wat verwijst meestal naar een complete zin. Soms kan het verkeerde gebruik van het woordje wat ertoe leiden dat een zin iets heel anders betekent. Het volgende voorbeeld geeft zo’n verschil goed weer:

Bas wil graag een boek kopenwat zijn moeder erg leuk vind.

Bas wil graag een boek kopen dat zijn moeder erg leuk vind.

In het eerste voorbeeld wil Bas een boek kopen. Zijn moeder vindt het erg leuk dat hij een boek wil kopen. In het tweede voorbeeld gaat het erom dat zijn moeder dat boek erg leuk vindt en niet het kopen ervan. Het verschil zit hem er dus in dat wat in het eerste voorbeeld verwijst naar de hele voorgaande hoofdzin. In het tweede voorbeeld verwijst dat alleen naar het boek. Het is verschil is maar één letter, maar dat kan qua betekenis dus zeker wel uitmaken.

2. Onbepaald voornaamwoord

Wat kan ook verwijzen naar een onbepaald voornaamwoord, zoals alles, het enige, iets of niets:

Het enige wat ik ervan weet…

Hij zei ietswat me erg stoorde.

In deze beide gevallen mag je ook dat gebruiken. Let er wel op dat bij het gebruik van het enige, de woorden wat en dat ook een betekenisverschil kunnen geven. Kijk maar eens naar deze twee zinnen:

Dit verhaal is het enige wat hij gelezen heeft.

Dit houdt in: hij heeft helemaal niks gelezen, behalve dit verhaal.

Dit verhaal is het enige dat hij gelezen heeft.

Deze zin betekent: van meerdere verhalen heeft hij alleen dit ene verhaal gelezen.

3. Aanwijzend voornaamwoord

Het betrekkelijk voornaamwoord wat kan ook verwijzen naar het aanwijzende voornaamwoord dat:

Ze hebben samen gesproken over dat, wat vorige week gebeurd is.

4. Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord

Het woord wat mag je ook gebruiken na een bijvoeglijk naamwoord dat zelfstandig gebruikt wordt:

Het laatste, wat hij zei…

Het mooiste, wat ik zag…

Ook hier zou je wat kunnen vervangen door dat. Soms kan dat ook weer een verschil maken in wat de zin betekent. Weer een voorbeeld:

Dit huis is het mooiste dat ik ooit heb gezien.

Dit betekent dat van alle huizen die ik ooit heb gezien, dit specifieke huis het mooiste is.

Dit huis is het mooiste wat ik ooit heb gezien.

Deze zin betekent dat van alles wat ik ooit heb gezien, dit huis het mooiste is.

5. Er staat geen antecedent

De oplettende lezer heeft deze al voorbij zien komen. Een paar paragraafjes terug schreef ik namelijk:

Wat ook vaak gebeurt, is…

Wat verwijst hier naar iets wat niet aanwezig is in de zin. Eigenlijk kan je wat hier ook vervangen door dat, wat. Dus:

Dat, wat vaak gebeurt, is…

Dat is dan dus het antecedent, waar wat naar verwijst. In het eerste voorbeeld ligt het antecedent dat dus eigenlijk besloten in het betrekkelijk voornaamwoord zelf.

Wat vaak mis gaat

Het meisje, die ik laatst ontmoet heb… (fout)

Het meisje, dat ik laatst ontmoet heb… (goed)

Meisje is een het-woord. Dit houdt in dat je hierbij altijd dat gebruikt als betrekkelijk voornaamwoord. Die gebruik je bij de-woorden.

De manwie net voorbij liep… (fout)

De mandie net voorbij liep… (goed)

Naar een de-woord verwijs je met die en niet met wie. Het woordje wie mag wel gebruikt worden in een andere constructie:

De man, wie ik de weg wees…

Het woord wie zou je hier ook kunnen vervangen door aan wie. Omdat het hier dus gaat om een constructie met een meewerkend voorwerp, mag je wie gebruiken.

Wat ik ook erg vaak hoor en lees, is dat mensen ‘welke’ als betrekkelijk voornaamwoord gebruiken. Dus:

De auto, welke ik gister gekocht heb…

Mensen gebruiken dit te pas en te onpas. Het is formeel wel goed, maar het is toch af te raden, omdat het erg stijfjes en formeel overkomt. Je kunt dan beter gewoon die gebruiken. Eerlijk gezegd vind ik welke zelf ook echt niet mooi. Het klinkt een beetje overdreven, alsof mensen erg hun best doen om goed Nederlands te spreken, maar het daardoor juist nét niet mooi uit de verf komt. Het woord wordt sowieso erg vaak fout gebruikt, want welke kan in deze constructie alleen verwijzen naar een de-woord, maar mensen gebruiken het ook vaak bij het-woorden, zoals:

Het huiswelke ik verbouwd heb…

Dit laatste is dus altijd fout.

Vragen?

Dit was een behoorlijke lap tekst, maar hopelijk heeft dit het een en ander verduidelijkt wat betreft betrekkelijk voornaamwoorden. Heb je nou helemaal geen zin om je bezig te houden met grammatica en correcte spelling? Ik kan je teksten natuurlijk voor je schrijven of corrigeren. Wil je meer weten? Neem dan contact op.