
Helma Lubbers
Mevrouw Alfabet

Helma Lubbers
Mevrouw Alfabet
6 veelgemaakte taalfouten

We maken allemaal fouten. Gelukkig maar. Anders is het leven ook zo saai. Ook met taal gaat het nogal eens mis. We gaan de mist in met spelling of woordkeuze. En dat is niet altijd erg. Daar leer je weer van. En als tekstschrijver en corrector heb ik natuurlijk ook graag wat te doen.
Als iedereen het al goed deed, kon ik mijn bedrijf wel opdoeken.
Er zijn een aantal woorden die mensen heel vaak verkeerd gebruiken. Ik heb voor dit artikel een paar veelgemaakte taalfouten uitgekozen die me het meest storen of die ik juist interessant vind. Dus lees snel verder om te zien of jij deze fouten ook maakt.
Rede of reden?
Mensen gebruiken vaak het woord rede waar ze reden bedoelen:
De rede dat ik ga verhuizen, is dat ik graag dichter bij mijn werk wil wonen.
Dit klopt niet. In deze zin moet het reden zijn. Rede en reden zijn namelijk twee heel verschillende woorden. Dit zegt Van Dale erover:
re·de (de; v(m))
- het begrips- en onderscheidingsvermogen van de mens; het gezond verstand: iem. tot rede brengen ervoor zorgen dat hij weer naar gezond verstand luistert; niet voor rede vatbaar zijn onredelijk zijn; dat ligt in de rede dat zou redelijk, logisch zijn
- het spreken: iem. in de rede vallen iemands woorden onderbreken; (taalkunde) de directe rede woordelijke weergave van iemands woorden; indirecte rede weergave van iemands woorden in een andere vorm
- (meervoud: redes, redevoeringen) redevoering, toespraak
re·den (de; v(m); meervoud: redenen)
- hetgeen iem. als verklaring van een toestand, een door hem verrichte daad enz. geeft
- argument
Rede en reden hebben dus allebei een andere betekenis en ook een andere meervoudsvorm.
Sowieso
Dit woord is op elke taalsite en door alle tekstschrijvers wel al eens besproken volgens mij. Maar ik kán dit niet overslaan omdat het zó vaak fout gaat. De creaties die mensen hiervan maken vind ik behoorlijk wonderlijk: zowiezo; zo ie zo; zobiezo; sobieso; zoiezo. Het gaat alle kanten op. Er is toch echt maar één juiste manier: sowieso. Dit is namelijk een Duits leenwoord.
Welke of die?
Ik moet toegeven: dit is een heel grote ergernis van me. Mensen gebruiken welke namelijk vaak als betrekkelijk voornaamwoord. Bijvoorbeeld:
Dit huis, welke gebouwd is aan het begin van de vorige eeuw, staat op instorten.
Dit is niet altijd fout, maar heel vaak wel. Je mag welke als betrekkelijk voornaamwoord alleen gebruiken bij de-woorden. Maar ook dan is het niet aan te raden. Het klinkt heel gekunsteld. Het is alsof je overdreven je best doet om een goede tekst te schrijven, terwijl je eigenlijk net de plank misslaat.
Doe dus maar niet. Gebruik gewoon die of dat.
Irriteren
Mensen die zich ergens aan irriteren, daar erger ik me nogal eens aan. Irriteren is namelijk geen wederkerend werkwoord. Maar wat is een wederkerend werkwoord? Dat is een werkwoord dat een wederkerend voornaamwoord bij zich heeft. Maar wat houdt dat dan in?
Zich is een wederkerend voornaamwoord. Voorbeelden van wederkerende werkwoorden zijn: zich vergissen, zich realiseren, zich verheugen en zich herinneren. Je krijgt dan dit soort constructies:
Ik herinner me hem nog goed.
Ik realiseerde me later pas dat hij ziek is.
Irriteren is géén wederkerend voornaamwoord. Dit is dus fout:
Ik irriteer me aan die harde muziek.
Het moet zijn:
Ik erger me aan die harde muziek.
Óf:
Die harde muziek irriteert me.
Nu zul je bij die laatste zin misschien denken: ‘hé, maar daar staat toch ook me?’ Ja, dat klopt. Maar dit is een andere constructie. De harde muziek is hier het onderwerp van de zin. Me is hier het lijdend voorwerp en dus geen wederkerend voornaamwoord dat verbonden is met het onderwerp en het werkwoord.
Beseffen
Dit woord zit in dezelfde categorie als het niet-bestaande zich irriteren. Mensen zeggen namelijk te pas en te onpas dat ze zich iets beseft hebben. Maar beseffenis ook géén wederkerend werkwoord. Je zegt dus niet:
Hij beseft zich heel goed dat hij fout zit.
Hoe gebruik je het dan? Nou, zo:
Hij beseft heel goed dat hij fout zit.
Zo simpel kan het soms zijn.
Echter
Ik vind echter een heerlijk woord. Het is een echt ‘schrijftaalwoord’. Het is eens iets anders dan het standaard maar en het klinkt wel lekker. Maar niet iedereen is het hiermee eens. Veel mensen vinden het te stijfjes. Dus ik ga er daarom spaarzaam mee om.
Het probleem met het woord echter is dat mensen het vaak verkeerd gebruiken. Ik laat eerst een zin zien met maar:
Ze is volgende week jarig, maar het feest is pas over twee weken.
Als je echter op de juiste manier gebruikt, krijg je bijvoorbeeld dit:
Ze is volgende week jarig. Het feest is echter pas over twee weken.
Waar het misgaat, is aan het begin van de zin. Echter kan heel goed aan het begin van de zin staan, maar daarna volgt wel altijd een komma. Kijk maar:
Ze is volgende week jarig. Echter, het feest is pas over twee weken.
Heel veel mensen doen dit niet. Die gebruiken ‘echter’ op de volgende manier:
Ze is volgende week jarig. Echter is het feest pas over twee weken.
De constructie van deze laatste zin klopt niet. Ik zie het behoorlijk vaak voorbijkomen en het is toch best storend. Hierdoor ontstaat hetzelfde probleem als met welke: je wilt extra je best doen om een goede tekst te schrijven, maar omdat je het fout doet, komt het juist amateuristisch over. Dat is zonde. Als je twijfelt, kun je dus beter gewoon maar gebruiken. Dan weet je zeker dat je goed zit.
Oh, en voor de volledigheid: gebruik echter en maar nooit allebei, want dat is dubbel. Net als tevens en ook, en want en immers.
Ik hoop dat je wat bent opgeschoten met bovenstaande taalmissers. Er zijn natuurlijk nog genoeg andere veelgemaakte taalfouten. Die bewaar ik voor een volgende keer.